gender- en seksuele diversiteit in het onderwijs

voervaring zorgcoördinator

2017 | “We noemen haar Fien. Haar cijfers werden lager en ze kon zich steeds slechter concentreren. Haar mentor vroeg zich af wat er met Fien aan de hand was en plande een gesprek met haar.” Zorgcoördinator Rijnen vertelt hoe de school de ouders van Fien probeerde mee te nemen in de problemen van Fien.

School & Veiligheid was in 2017 gastredacteur van het zomernummer over seksuele diversiteit van het magazine Van12tot18. Dit interview was onderdeel van het themanummer.

Al 25 jaar in het Zorgteam

Dianne Rijnen is zorgcoördinator en docent Kunst aan het Cambreur College in Dongen. Ze typeert haar school als een ons-kent-ons-school, een regioschool tussen Tilburg en Oosterhout. De school heeft ruim 1200 leerlingen van alle niveaus, een tweetalige tak en meer dan honderd docenten verspreid over een aantal gebouwen.

Rijnen werkt al 25 jaar op het Cambreur en altijd zat ze in het zorgteam. Toen de enige zorgcoördinator van de school er mee stopte, wilde ze graag die functie overnemen. Maar niet in haar eentje. Daarom verdelen ze het werk nu over drie personen. Iedere afdeling heeft een eigen zorgcoördinator, die nu wat dichter bij de leerlingen staat.

Het verhaal van Fien

De leerlingen komen meestal via hun mentor bij haar. Zoals ook Fien. De mentor vond het een goed idee als Fien eens met Dianne zou praten. Al snel bleek dat de situatie niet eenvoudig was. Fien worstelde met haar seksualiteit. Ze wist niet of ze op meisjes of jongens viel, maar wat ze wel wist was dat haar ouders homoseksualiteit niet zouden accepteren. De sleutel van de schoolproblemen van Fien leek dus bij haar ouders te liggen. Dianne besloot dat ze daar iets mee doen moest.

‘Ik ben geen missionaris’

Over lhbt-kwesties zoeken de zorgcoördinatoren van het Cambreur elkaar al gauw op. Om even snel te overleggen. Dat doen ze naast de geplande bijeenkomsten van het zorgteam en het zorgadviesteam. Rijnen zou graag zien dat ook docenten elkaar wat meer zouden opzoeken om te overleggen over dit soort zaken. ‘Wij vinden het heel belangrijk om de actualiteit een plaats te geven in de school. Er was laatst veel media-aandacht voor die jongens in Arnhem die niet gewoon hand in hand konden lopen. Ik vroeg mij toen af wie daar in de klas iets mee gedaan had. Volgens mij haast niemand. Jammer, want ik vond dat echt relevant. De directeur vond dat ook en zei dat ik zoiets best in de docentenkamer kon voorstellen. Maar eerlijk gezegd wil ik dan ook gewoon mijn broodje kunnen eten. Ik ben geen missionaris. Samen kwamen we toen op het idee om seksuele diversiteit op de agenda te zetten van de afdelingsteams. We hebben een vmbo-, een mavo-, een havo- en een vwo-team. Daar wordt het onderwijs gemaakt. Daar wordt bedacht wat we willen bereiken. Dat is een betere ingang dan bij de koffie.’

Rijnen en haar collega’s werden extra alert op dit soort onderwerpen na een casus met een homoseksuele leerling. De leerling viel buiten de groep en werd gepest. Ondanks veel gesprekken en pogingen om de situatie te verbeteren, besloot de leerling de school te verlaten. ‘We hadden ons uiterste best gedaan. Maar het was niet gelukt. We hadden gefaald. What a shame.’

‘Alles wat afwijkt is kwetsbaar’

‘Dit soort ervaringen maakt wel dat ik pro-actiever wil zijn. Want het is nog steeds moeilijk voor veel kinderen als ze ontdekken dat ze misschien ‘anders’ zijn in hun seksuele oriëntatie. Ook bij ons op school.’ Rijnen ziet hoe gedrag van jongeren dat niet past bij hun sekse (gender niet-conform gedrag) leidt tot problemen. ‘Je ziet daar pestgedrag ontstaan; alles wat afwijkt is kwetsbaar bij jongeren. Ik merk ook dat docenten en mentoren daar heel verschillend mee om gaan. Sommige leraren zien en durven gewoon meer dan anderen. Daar durven leerlingen dan ook eerder aan te kloppen. We hebben wel aparte counselors. Maar het zou zo mooi zijn als íedere docent een goede pedagoog zou zijn.’

Op een afstandje in de gaten houden

‘Of een leerling al dan niet uit de kast komt en zich daar happy bij voelt, heeft te maken met een aantal factoren die te maken hebben met het karakter van het kind, de thuissituatie, de klas, de mentor et cetera. Het Cambreur heeft in dat opzicht ook positieve ervaringen. Er zijn homoseksuele leerlingen die eigenlijk geruisloos geaccepteerd worden. En vorig jaar stroomde een transgender leerling in, die daarbij zorgvuldig begeleid werd in de klas en op de betreffende locatie. De zorgcoördinator hield van een afstandje het proces in de gaten, dat prima verliep.’

‘Sommige leerlingen hebben zelf gewoon een bepaalde zekerheid, waardoor ze veel opener kunnen communiceren over hun identiteit. Ook als ze daar nog mee worstelen. Een 5-vwo’er kreeg laatst de opdracht een ‘ideële reclame’ te maken. Hij maakte posters met kleine adviezen op het gebied van lhbt. Die hangen nu overal in de school. Hij stelt zich daar heel kwetsbaar in op. Maar deze jongen lijkt weerbaar genoeg om dat aan te kunnen. Pak een doorsnee puber. Die kan dat niet.’

‘Hier als team meer over praten’

‘De open sfeer op onze school draagt er wel aan bij dat deze jongen dat durft. Ik zie een school als een gemeenschap van jeugd en volwassenen, die leren om respectvol met elkaar om te gaan. Ook op onze school zitten homofobe leerlingen en wordt gescholden met ‘homo’. Ik kan me daar echt over opwinden. En het zijn natuurlijk niet alleen de leerlingen die zo doen. Ik hoor wel eens over uitspraken van docenten, die ik liever niet hoor. Het is een taak van de school om daar aan te werken. Daarin ervaar ik wel steun van de collega’s en de leiding, maar dat laat onverlet dat we hier als team meer over zouden kunnen praten. En als iemand die wagen in beweging zet, laat de rest hem echt wel rollen, zo’n school zijn wij wel.’

‘Wat ik de lezer zou willen meegeven? Bij mijn vak, Kunst, is het waarschijnlijk wat gemakkelijker om aandacht voor de identiteit van de leerling te hebben. Wat houdt hem of haar bezig? Daarnaar ben ik eigenlijk altijd op zoek, want dat hangt straks in de gang. Maar eigenlijk is aandacht voor de identiteit van de leerling een zaak van alle leraren.’

Een spannend plan

‘Voor Fien hebben we nu een spannend plan verzonnen. We hadden haar ouders uitgenodigd naar school te komen. Alles in kleine stapjes. Maar niet beide ouders zijn daarop ingegaan. We hebben de zaak nu tijdelijk laten rusten, zodat Fien zich even helemaal op haar cijfers kan richten. Maar we hebben al afgesproken dat we gaan proberen om de ouders van Fien in gesprek te laten gaan met de ouders van een van haar vrienden. Deze vriend is al langer uit de kast. We hopen dat deze mensen de ouders van Fien een beetje gerust kunnen stellen over de toekomst van hun dochter. Ik hoop dat het lukt.’

 


Reactie door Alexis Dewaele

Minderheidsstress en zichtbaarheidsmanagement

Alexis Dewaele is docent en onderzoeksmedewerker bij de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen aan de Universiteit Gent. We hebben hem gevraagd om te reageren op het verhaal van Dianne Rijnen. Zijn reactie laat zien hoe gebalanceerd er dient te worden omgegaan met gender-kwesties. ‘Er is geen one-size-fits-all’.

‘Heel wat jonge lhbt-jongeren moeten nog steeds opboksen tegen vooroordelen en soms ronduit kwetsend pestgedrag. Ook het verhaal van deze zorgcoördinator is daar weer een illustratie van. Minderheidsstress heet dat dan: blootgesteld worden aan een extra portie stress gewoon omdat je deel uitmaakt van een minderheidsgroep.

Niet alleen deze jongeren hebben daar dus last van. Het geldt evenzeer voor jongeren uit een etnische minderheidsgroep en vele anderen. Toch is er iets wat de ervaringen van homo- en bi-jongeren anders maakt: de (on)zichtbaarheid van hun minderheidsstatus. We deden daar al heel wat onderzoek naar: deze jongeren moeten in diverse sociale situaties (op school, thuis, in de sportclub) steeds weer opnieuw beslissingen nemen over of en hoe ze hun seksuele oriëntatie bekendmaken. Naast een eerste coming-out, wat voor jongeren nog altijd een belangrijk scharniermoment is in hun seksuele identiteitsontwikkeling, speelt zichtbaarheidsmanagement dus een belangrijke rol. Dat is een complex maar tegelijkertijd voor de hand liggend gegeven.

Wanneer je zegt dat je homo, bi of lesbisch bent, dan stel je je kwetsbaar op. Mensen kunnen je onrechtvaardig behandelen, pesten, enzovoort. We stelden echter in onderzoek ook vast dat wanneer jongeren open zijn, ze zich vaak ook mentaal beter voelen. Ze voelen zich dan minder depressief, staan sterker in hun schoenen en waarderen dat ze eerlijk kunnen zijn over wat een belangrijk aspect van hun identiteit is. Of omgekeerd: verbergen dat je homo, bi of lesbisch bent gaat bijvoorbeeld samen met angst om ‘betrapt’ te worden, je niet goed in je vel voelen en een lage zelfwaardering. Je beschermt jezelf zo natuurlijk wel tegen discriminatie en vooroordelen. Met name voor jongeren die in een heel homofobe omgeving vertoeven, is dat een belangrijk verdedigingsmechanisme.

Het is dus niet zomaar ‘one size fits all’. Ook al zouden we heel graag hebben dat alle lhbt-jongeren open kunnen zijn over hun seksuele oriëntatie, toch moeten we ook voorzichtig zijn wanneer we hen daarbij willen helpen. Verschillende factoren spelen een rol: persoonlijkheid (sommige jongeren zijn heel weerbaar, andere kwetsbaar), schoolklimaat (de ene school is de andere niet) en de mate waarin steun in de omgeving beschikbaar is. Ook de thuissituatie is daarbij fundamenteel. Wanneer ouders moeite hebben met de aanvaarding van een kind dan is het niet zomaar een kwestie van tegen de jongere in kwestie zeggen: ‘Out je maar gewoon meteen, dat is het beste voor jou’. Hechte familiebanden zijn belangrijk en ouders die aanvankelijk weinig begrip kunnen opbrengen, blijven dat daarom niet altijd doen. Enige voorzichtigheid is dus geboden.

We stellen vast dat jongeren op steeds vroegere leeftijd hun eerste coming-out doen en dat toont natuurlijk aan dat de toename in maatschappelijke aanvaarding dit mogelijk heeft gemaakt. Daarbij mogen we niet vergeten dat deze jongeren zich binnen een schoolomgeving vaak erg kwetsbaar opstellen en dat ze veel behoefte hebben aan steun en bevestiging van leeftijdsgenoten maar ook van familie en leraren. Zorgcoördinatoren kunnen daarbij een fundamentele rol spelen. Het is aan hen om goede voelsprieten te ontwikkelen: wat heeft deze specifieke jongere op dit moment nodig? Hoe kunnen we veiligheid garanderen en sociale steunnetwerken verstevigen? Met een goede kennisbasis, sterke sociale vaardigheden en een warm hart kom je al een heel eind.

Alexis Dewaele is docent en onderzoeksmedewerker bij de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen aan de Universiteit Gent. Zijn onderzoek richt zich in het bijzonder op seksuele oriëntatie, minderheidsstress en zichtbaarheidsmanagement, seksuele gezondheid en de maatschappelijke impact van onderzoek.


  • Download de pdf van bovenstaand artikel in Van12tot18, Marinus Schouten & Maartje Schneemann,  juni 2017

Contact met ouders (vo)

Vragen over sociale veiligheid en lhbti+ op school?

Bel met de helpdesk van School & Veiligheid.